Hoog- en laagstambomen
Laagstambomen
Kleine fruitbomen worden ook wel 'laagstammen' genoemd. Een laagstam (ook wel 'spil' genoemd) is 60 centimeter hoog. Een laagstam appelboom wordt niet meer dan twee tot drie meter hoog en een paar meter breed. Dat is ook de bedoeling van de fruitteler. Kleine bomen zijn namelijk makkelijker te verzorgen dan grote en er passen meer bomen in de boomgaard. Het belangrijkste voordeel is dat de laagstammen al vanaf hun tweede jaar fruit geven. Bij de ouderwetse hoge fruitbomen duurde dat wel tien jaar of langer. Laagstammen geven zo snel vruchten doordat ze uit twee gedeelten bestaan. Het onderste gedeelte van de stam met de wortels heet de onderstam. De onderstam groeit langzaam waardoor de fruitboom klein blijft. De fruitboom gebruikt maar een klein beetje voedsel voor de groei van takken en bladeren en de rest voor de groei van appels en peren.
Het bovenste gedeelte met de takken, de bladeren en de vruchten heet de ent. Onderaan de boom zitten twee bobbels. Dat zijn entplaatsen. Op die plekken zijn twee stukken boom met elkaar vergroeid. Het stammetje tussen de bobbels heet tussenstam. De boomkweker heeft de onderstam en de ent, toen ze nog heel klein waren, met entwas en binddraad aan elkaar vastgemaakt. Hij noemt dit: enten. De entplaats kun je nog terugvinden bij een volwassen boom; op die plek net boven de grond is de stam een beetje dikker. Elk deel van de stam is van een ander appelras. Zo zijn door het enten de goede eigenschappen van verschillende rassen bij elkaar gebracht.
Hoogstambomen
Een hoogstam appelboom heeft een stam van wel twee meter. De hoogstamboom kan met zijn takken bovendien wel tien meter breed worden. Een hoogstamboom kan meer dan vijftig jaar worden. De boom is vijf jaar, als hij wordt aangeplant. Dat laatste gebeurt tussen december en april.
Als we een appelboom gewoon laten groeien, kan de boom meters en meters hoog worden. Vroeger gebeurde dat ook en toen hingen de appels soms wel zes meter boven de grond. Het plukken was toen een gevaarlijke klus. Met een mand zes meter op een ladder klimmen, wat een werk!
Een hoogstamboomgaard werd vroeger ook gebruikt als akker en als weiland. Als de hoogstambomen nog jong waren, teelde de fruitteler in zijn boomgaard ook groente, tarwe, aardappelen of tabak. Als de bomen te groot werden, zaaide hij gras en liet er zijn dieren grazen. De fruitteler van vroeger was dan ook veel meer akkerbouwer en veehouder dan fruitteler. In een moderne boomgaard zul je geen koe of schaap meer aantreffen. De bomen staan daarvoor te dicht op elkaar. Bovendien zijn die zo klein, dat de dieren gemakkelijk de oogst van de boom kunnen eten.
Het snoeien van hoogstamfruitbomen is een kunst op zich. Als de teler de boom verkeerd snoeit, krijgt hij weinig vruchten. Er worden nog maar weinig nieuwe hoogstambomen geplant. Hierdoor dreigt die snoeikennis verloren te gaan.

